Home
 
Taalcoach worden?
 
Links
 
 
Algemeen Dagblad 11 maart 2009


Hani Latifi

Taalmaatje hoeft docent niet te vervangen

WERKENDAM - De eerste keer dat de Syrische Hani Latifi een supermarkt in Nederland instapte, bleef zijn karretje nagenoeg leeg.

,,Ik kon geen enkel etiket lezen.’’ Op dat moment had hij graag een taalmaatje gehad. Dit is een vrijwilliger die asielzoekers helpt met de Nederlandse taal. In het Land van Heusden en Altena worden zij vanaf april ingezet door VluchtelingenWerk.

Latifi heeft inmiddels geen taalmaatje meer nodig. Samen met zijn vrouw en drie kinderen woont hij al tien jaar in Nederland, waarvan de afgelopen vier jaar in Werkendam. Hij kan zich goed verstaanbaar maken. ,,Ik maak met iedereen een praatje. Niet bang zijn, gewoon doen,’’ tipt hij alle nieuwkomers.

Maar dat blijkt in de praktijk niet zo makkelijk, reageert Henk Pasman van VluchtelingenWerk Altena. ,,Mensen die gebrekkig Nederlands spreken, zijn vaak bang om fouten te maken. Wij vertonen exact hetzelfde gedrag: hoeveel Nederlanders die vakantie vieren in Frankrijk, durven Frans te spreken?’’

De angst blokkeert de asielzoekers om contact te leggen en een sociaal netwerk op te bouwen, denkt Pasman. ,,Ze missen een zetje in de rug. Die taak zou een taalmaatje heel goed op zich kunnen nemen.’’

In de afgelopen weken kwamen er zes aanmeldingen binnen van mensen uit Werkendam, Woudrichem en Alburg die vrijwilliger willen worden van VluchtelingenWerk Altena. Van hen wordt verwacht dat zij een jaar lang een paar uur per week de hort op gaan met een asielzoeker.

Het taalmaatje mag zelf bepalen hoe hij of zij invulling geeft aan zijn taak. ,,Je hoeft geen taaloefeningen te doen. Het is de bedoeling dat de sociale contacten het Nederlands vanzelf verbeteren. De bibliotheek bezoeken, winkelen, koffie drinken of een expositie bekijken,’’ neemt Pasman vast een voorschot op de activiteiten.

Ook de vrijwilliger kan iets van de wekelijkse ontmoetingen opsteken, denkt hij. ,,Je leert een andere cultuur kennen en helpt mensen zich beter thuis te voelen in een gemeente.’’

Het taalmaatjesproject werd in de zomer van 2008 al ingevoerd in de grote steden. Hier slaat het volgens de hulporganisatie goed aan.

Voor Latifi kwam het initiatief tien jaar te laat. Toen hij naar Nederland vluchtte om politieke redenen, bestond het project nog niet. Hij had het geluk dat een Nederlandse familie zich over hem ontfermde. ,,Zij gaven mij tips. Zij zeiden bijvoorbeeld: als je goed wilt leren spreken, moet je op de beweging van de mond letten. Dat doe ik nog steeds. Ook adviseerde zij mij om geen Arabische tv-kanalen op te zetten. Dat brengt de kinderen in verwarring, die op school heel de dag Nederlands hebben gesproken. Bovendien leerde ik zelf ook veel van de Nederlandse programma’s.’’

Zijn grootste worsteling was het lezen en schrijven. ,,Ik kende geen Westers schrift. Arabisch wordt ook nog eens van rechts naar links gelezen.’’ Taalcursussen hielpen hem op weg, maar in de praktijk leerde hij meer. ,,Ik stelde iedereen vragen. Zelfs de leraren op de school van mijn kinderen. Ook las ik hun schoolboeken.’’

Hij denkt dat een taalcoach handig is voor praktische problemen als een bezoekje aan de dokter. Bovendien denkt hij dat de vrijwilligers de medewerkers van VluchtelingenWerk Altena kunnen ontlasten. ,,Zij zijn vaak erg druk.’’

De organisatie helpt jaarlijks circa 200 asielzoekers met taalbeheersing, huisvesting en administratie. Pasman hoopt de komende drie jaar 120 asielzoekers te koppelen aan taalmaatjes. ,,De subsidie loopt tot 2011, maar als het aanslaat gaan we op zoek naar geld om door te gaan.’’